Voorschriften van Plichtenleer

HOOFDSTUK I: Algemene Bepalingen

Artikel 1. De voorschriften van plichtenleer bestaan uit een geheel van regels hieronder opgesomd en die elk lid van de KCLE bij de uitoefening van zijn beroep dient na te leven,  wie ook de opdrachtgever moge zijn, privaat of publieke persoon of orgaan, of het gerecht. 

Deze deontologie bestaat uit enerzijds het naleven van de wettelijke en reglementaire regels opgelegd door de Federale Raden van Landmeters-experten en anderzijds regels van ethiek, moraal en confraterniteit.

Artikel 2. Overeenkomstig het gemeen recht, draagt het lid  persoonlijk de verantwoordelijkheid voor iedere gestelde daad in het kader van de uitoefening van het beroep . Het is hem verboden zich door een bijzondere overeenkomst, zelfs gedeeltelijk, aan deze verantwoordelijkheid te onttrekken.

Artikel 3. Het lid moet zijn beroep bekwaam, eerlijk en waardig uitoefenen.  Hij dient over de nodige onafhankelijkheid, onpartijdigheid, wils- en beoordelingsvrijheid beschikken, om zijn beroep uit te oefenen volgens de voorschriften van dit besluit.  Hij dient er tevens over te waken dat diezelfde vereisten nageleefd worden door de medewerkers.

 

HOOFDSTUK II: Het lid en de KCLE.

Artikel 4. Elk lid is gehouden tot betaling van het jaarlijks inschrijvingsgeld bepaald door de jaarlijkse Algemene Vergadering, en volgens de modaliteiten en het betalingstermijn voorzien in het huishoudelijk reglement.  

Artikel 5. Het lid verbindt zich ertoe alle opdrachten te weigeren en alle mandaten over te dragen die de onafhankelijkheid van zijn beroepspraktijk of de naleving van de deontologie in het gedrang brengen.

Hij dient rekening te houden met de algemene richtlijnen en normen door de Algemene Vergadering bepaald.

Hij zal zich onbevoegd verklaren wanneer hij acht dat zijn onpartijdigheid kan worden betwist.

Artikel 6. Het lid dient de Nationale Beheerraad (NBR) per aangetekende brief op de hoogte te brengen zodra een gerechtelijk onderzoek tegen hem werd geopend, dat rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met zijn beroep.

Artikel 7. Het lid dient de NBR per aangetekende brief te verwittigen wanneer hij in het kader van zijn beroepsuitoefening een burgerlijke, strafrechtelijke, commerciële, sociale of administratieve vordering instelt tegen een confrater.

Artikel 8. Het lid is ertoe gehouden alle gevraagde inlichtingen over te maken aan de NBR, om hen toe te laten hun, wettelijk toevertrouwde bevoegdheden uit te oefenen.

HOOFDSTUK III: Verplichtingen van het lid van de KCLE

Artikel 9. Indien het lid en zijn cliënt een "opdrachtbrief" opmaken, dan moet deze brief de wederzijdse plichten van de cliënt en het lid, de geldelijke voorwaarden en de te respecteren termijnen duidelijk bepalen.

De opdrachtbrief mag geen buitensporige schadebepalingen bevatten bij vroegtijdige opzegging van de samenwerking.

De opdrachtbrief wordt in zoveel exemplaren opgemaakt als er partijen zijn.

Elke partij ontvangt een exemplaar.

Het lid is ertoe gehouden alle documenten en bescheiden toebehorende aan zijn cliënt, onverwijld terug te bezorgen, wanneer deze erom verzoekt.

Artikel 10. Bij het bepalen van zijn ereloon zal het lid rekening houden met de aard, de complexiteit en de omvang en draagwijdt van de opdracht, rekening houdend met zijn bijzondere bekwaamheden, zijn bekendheid en de algemene kosten.

Hij zal rekening houden met de aanbevelingen uitgegeven door de KCLE.

Het aanrekenen van niet verantwoorde lage of hoge erelonen is strijdig met de waardige uitoefening van het beroep.

Het lid mag op geen enkele wijze  commissie- of makelaarslonen of welk ander voordelen ontvangen of laten toekennen die betrekking hebben op zijn opdrachten en die strijdig zijn met artikel 4 van deze voorschriften.

Artikel 11. Het lid die het beroep als zelfstandig uitoefent is gehouden een verzkeringsovereenkomst te sluiten tot dekking van zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid.  De algemene basisvoorwaarden en de minimumwaarborgen waaraan de verzekeringsovereenkomsten moeten voldoen, worden door de Federale Raad vastgesteld.

Het bewijs van deze onderschrijving zal steeds op verzoek moeten kunnen voorgelegd worden.

Artikel 12. Het lid dient zich op de hoogte te houden van de evolutie van de wetgevingen, technieken en regels die van toepassing zijn bij de uitoefening van zijn beroep.

 

HOOFDSTUK IV: Het lid van de KCLE en zijn confraters

 

Artikel 13. Het lid is gehouden tot wederzijdse hulp tegenover zijn confraters.  Hij moet zijn confraters met respect en hoffelijkheid behandelen.  Hij gedraagt zich in alle omstandigheden collegiaal en loyaal.

Hij onthoudt zich van alle daden van oneerlijke concurrentie, van alle rechtstreekse of onrechtstreekse stappen en handelingen die een confrater in diskrediet kunnen brengen of schade kunnen berokkenen.

Hij zal de betrokken confrater onmiddellijk op de hoogte brengen van de punten, waarover een meningsverschil bestaat.

Artikel 14. Het lid die een confrater moet opvolgen in de afhandeling van een opdracht, kan deze maar aanvaarden indien hij volgende regels in acht nemen:

1° hij moet zijn voorganger per aangetekende brief in kennis stellen van de overname van de opdracht, zelfs indien de opvolging niet onmiddellijk is gebeurd;

2° indien de voorganger niet werd betaald voor zijn prestaties, dient hij bij de cliënt aan te dringen op de betaling van de honoraria van zijn voorganger.

De voorganger moet aan de cliënt of aan de confrater die hem opvolgt, alle documenten die toebehoren aan de cliënt en alle documenten die vallen onder de wederzijdse collegiale hulp overhandigen.  Hij is gehouden hiervan een gedetailleerde en gedagtekende inventaris in twee exemplaren op te stellen, die door alle betrokken partijen ondertekend wordt.

Artikel 15. Met instemming van beide partijen kan een geschil tussen landmeters lid van de KCLE voorgelegd worden aan de NBR

 

HOOFDSTUK V: Het beroepsgeheim

 

Artikel 16. Onverminderd de voor de leden door de wet opgelegde verplichtingen om zich te houden aan het beroepsgeheim  overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek, is hij ook gebonden door een discretieplicht.

Deze discretieplicht omvat de geheimhouding van de gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend werden toevertrouwd in zijn hoedanigheid van landmeter-expert of die verband houden met feiten van vertrouwelijke aard die hij heeft vastgesteld in het kader van de uitoefening van zijn beroep.

Er kan het lid evenwel geen inbreuk op de tuchtregels inzake de discretieplicht ten laste gelegd worden:

a) wanneer hij opgeroepen is om voor de rechtbank te getuigen;

b) wanneer de wettelijke bepalingen hem verplichten om alle of een deel van die informatie bekend te maken; 

c) bij de uitoefening van zijn persoonlijke verdediging in gerechtelijke- of tuchtaangelegenheden;

d) wanneer de toepassing van de voorschriften van de plichtenleer het vereist;

e) indien zijn cliënt, voor zover het gaat om een zaak die deze aanbelangt, de discretieplicht uitdrukkelijk opheft.

HOOFDSTUK VI: Beroepsactiviteiten en onverenigbaarheden

Artikel 17. Het lid zal zich onthouden van elke ambachtelijke of handelsactiviteit welke onverenigbaar is met zijn beroep.

Artikel 18. Personen, die tewerkgesteld zijn in de openbare sector, kunnen het beroep van zelfstandig Landmeter - expert slechts uitoefenen, mits schriftelijke toestemming van de bevoegde overheid. Zij zullen op verzoek van de NBR deze schriftelijke toestemming dienen voor te leggen.

HOOFDSTUK VII: De informatie naar het publiek

Artikel 19. Het lid mag aan alle personen die dit vragen, nuttige informatie verstrekken over zijn beroepsactiviteiten, zijn bekwaamheden, zijn referenties, diensten en erelonen.  Het is hem verboden om zich onrechtmatig bepaalde titels of bekwaamheden toe te meten.

Hij kan evenmin diensten gratis aanbieden, het vermoeden wekken dat bepaalde diensten gratis aangeboden worden of de vergoeding afhankelijk stellen van andere diensten door hem geleverd of door een persoon met wie een beroepsmatig samenwerkingsverband bestaat, of die worden verstrekt in dezelfde onderneming of in een verbonden onderneming.

Bij vermelding van zijn diensten op een publieke wijze dient het lid zich te beperken tot de loutere vermelding van zijn identiteit, zijn beroepstitel, de titels van zijn diploma’s of getuigschriften, zijn inschrijvingsnummer bij de federale raden en bij de KCLE, zijn beroepsadres en adresgegevens. Deze vermeldingen dienen op een discrete en tactvolle manier te gebeuren.

In elke geval zal het lid noch in het openbaar, noch op schriftelijke wijze gewag mogen  maken van de naam van zijn klanten.

Het is het lid toegestaan zijn hoedanigheid van lid van de federale raden en van de KCLE en zijn titels te vermelden in boeken, studies of artikels van wetenschappelijke tijdschriften.

Het lid kan eveneens zijn naam of firmanaam vermelden op de werf waar werken uitgevoerd worden waarbij hij als Landmeter - expert betrokken is.

Deze vermelding dient discreet te geschieden en niet opvallender te zijn dan de vermelding van de andere betrokken partijen.

Het lid kan slechts de titel van gerechtsdeskundige voeren voor zover hij belast is met een concrete opdracht door de gerechtelijk overheid. Hij mag deze titel slechts vermelden op de documenten die bestemd zijn voor de gerechtelijke overheid en de bij het onderzoek betrokken partijen.

Artikel 20. De door het lid gebruikte vermeldingen in zijn informatie naar het publiek toe moeten op een bescheiden manier worden voorgesteld. Omschrijving van deze vermeldingen zal in het reglement van inwendige orde voorkomen.

 

HOOFDSTUK VIII: Tucht

 

Artikel 21. De tuchtcommissie is samengesteld uit vijf leden.

Zij worden door de NBR voorgesteld en bevestigd door de jaarlijkse Algemene Vergadering,

Zij worden verkozen voor een mandaat van drie jaar, zij zijn herkiesbaar.

Ter gelegenheid van de eerste jaarlijkse samenkomst, verkiezen zij onder elkaar een voorzitter en een secretaris en stellen het intern reglement op.

De beslissingen worden bij gewone meerderheid genomen.

De uitspraak gebeurt binnen de drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de commissie het dossier heeft ontvangen.

Indien partijen worden gehoord gebeurt deze uitspraak binnen de drie maanden na de confrontatie

 

Artikel 22. De tuchtcommissie spreekt volgende vonnissen uit :

Het tot de orde roepen

De blaam

De tijdelijke schrapping

De uitsluiting als lid van de KCLE

 

Artikel 23. Elk betrokken lid kan, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de betekening van het vonnis, beroep aantekenen bij een tuchtcommissie in graad van beroep, deze laatste wordt samengesteld volgens de zelfde modaliteiten als die voorzien in de artikels 22 en 23 hiervoor.

Goedgekeurd op de algemene vergadering van 30 april 1999 - ondertussen bijgewerkt en aangepast om te voldoen aan de nieuwe wetgeving

De Secretaris Generaal De Voorzitter
J.P. CLOQUET A.J. VANDERLINDEN